Door het ijs gezakt

Het moet in de winter van ’81-’82 geweest zijn. Ik was in die tijd nog een fanatiek schaatser. Elk jaar vanaf half oktober gingen we met een groepje gelijkgestemden wekelijks een avond naar de kunstijsbaan in Assen. Oersaai en niet ongevaarlijk, zo’n hele avond rondjes draaien op een overvolle ijsbaan, maar ik wilde, mocht het echt gaan vriezen, goed beslagen ten ijs komen. 

Eindelijk was het zover: het ging vriezen. De ijsbaan hier in Hoogeveen ging open. Reuze gezellig, vooral ‘s avonds als de baan verlicht was. Maar ik wilde meer: schaatsen op de plassen in Noordwest Overijssel, lange tochten maken naar en door de Weerribben. Of nog verder: Friesland in.
De weersvooruitzichten waren goed. Zou ik zondag al in Giethoorn kunnen schaatsen? Misschien al op het Wiede en in de grachten door het dorp: het is daar niet diep.

Die zondag zou het inderdaad gebeuren. Mijn vaste schaatsmaat had andere afspraken, maar dat weerhield mij er niet van te gaan. Dan maar alleen. Schaatsen zou ik!

‘s Ochtends keek ik nog even naar het Journaal. De KNSB waarschuwde voor onbetrouwbaar ijs op kanalen en meren en raadde iedereen af om op ijs te gaan waar niet door een ijsclub een baan was uitgezet.
Eigenwijs als ik was, besloot ik me daar niet al te veel van aan te trekken. Met mijn schaatservaring in de afgelopen jaren wist ik donders goed waar het snel en waar het minder snel betrouwbaar was.

Haagjesgracht

Mijn auto parkeerde ik in Wanneperveen bij de ijsbaan. En ik was niet de enige: er was nog nauwelijks een plaatsje te vinden.
Het was prachtig weer: bijna windstil, zonnetje erbij, een beetje heiig. Ondanks de zon, vroor het toch nog flink.
Schaatsen ondergebonden en toen mocht ik. Weer eens op echt natuurijs. Ik kreeg tranen in de ogen. En niet alleen van de kou.
Via de Haagjesgracht en de Loosjesgracht reed ik naar het Bovenwiede. Daar aangekomen, viel het me op dat er slechts weinig schaatsers op het meer reden. En zij die er waren, schaatsten dicht langs de oevers. Het leek erop dat het inderdaad minder betrouwbaar was dan ik had gedacht. Was ik dan toch nog een paar dagen te vroeg?
Ik besloot het zekere voor het onzekere te nemen en verliet bij de eerste de beste gelegenheid het meer. Op de Volkensvaart, die van het Wiede naar de Dorpsgracht loopt, kraakte het ijs vervaarlijk. Het boog helemaal door toen ik erover schaatste. Vooral bij tegenliggers. En dat waren er nogal wat. Gelukkig is die vaart slechts een paar honderd meter lang en ik was blij dat ik die heelhuids was overgekomen.
Op de Dorpsgracht was goed te schaatsen. Maar dat hadden meer mensen ontdekt: hier en daar ontstond zelfs filevorming. Dit was niet wat ik me had voorgesteld van mijn eerste schaatstochtje dit jaar. 

Straks toch maar weer terug naar het meer? 
Maar toen ik even later aan het einde van de Dorpsgracht, tegenover de molen, rechtsaf wilde slaan richting het Wiede, zag ik dat daar dwars over het ijs een rood-wit markeringslint was gespannen. Met daarbij het bord Zeer onbetrouwbaar ijs.
Hoewel er natuurlijk schaatsers waren die zich van die waarschuwing niets aantrokken en over het lint stapten, om hun tocht richting het meer te vervolgen, besloot ik verstandiger te zijn. Een nat pak in deze vrieskou leek me geen pretje.
Ik kon twee dingen doen. Terugschaatsen over de Dorpsgracht en mogelijk opnieuw in de schaatsersfile terechtkomen. Of eerst maar eens doorrijden naar Giethoorn-Noord: ook door dat deel van het dorp liep een gracht waarover van die karakteristieke brugjes. Ik besloot te kiezen voor het laatste.

Onder de brug bij De Bramen lag het nog helemaal open. Dat werd klunen: over de betonrand onder de brug was een stuk tapijt gelegd, zodat men niet zijn schaatsen hoefde uit te trekken.
Er waren een stuk of vijf mensen vóór mij. Bij het begin van de betonrand aangekomen stapten ze van het ijs op het tapijt. Het ijs leek me hier, vlak voor de brug, dik genoeg: ik hoorde niets kraken.

Toen was ik aan de beurt, ik reed langzaam naar het begin van de betonrand. Zonder dat ik het ijs écht had horen kraken, gebeurde het. Van het ene op het andere moment stond ik tot aan mijn borst in het ijskoude water. Dat in eerste instantie niet eens koud aanvoelde.
Na een aantal mislukte pogingen om op mijn buik het ijs op te schuiven, kreeg ik hulp van een paar andere schaatsers. Die wisten mij op de walkant te trekken.
Daar lag ik. Nat tot aan mijn borst. En dat nat begon al ijs te worden. Wat nu? Ik keek om me heen. Dat huis ginds, op de hoek van De Bramen en de Kerkweg, daar moest ik heen.
Ik stapte het ijs weer op en reed zo snel als ik kon terug naar dat huis.

Nog even probeerde ik de veters van mijn schaatsen los te maken, maar dat ging niet lukken: de bovenkant van de schoenen waren inmiddels een en al ijs.
Op mijn schaatsen, waar ik anders zo op zuinig was, stak ik rennend de straat over. Voor zover dat ging op schaatsen. Bij de deur, aan de zijkant drukte ik op de bel. Wat had ik het ijzig koud.

Een oudere mevrouw deed open. Ik schatte haar een jaar of tachtig. ‘Meneer?’
‘Ik ben door het ijs gezakt,’ wist ik klappertandend uit te brengen.
De vrouw bekeek me van top tot teen. ‘Wat erg meneer, moet ik iemand voor u bellen?’
‘Dat heeft niet zoveel zin. Ik ben ijskoud. Kan ik ergens deze natte, bevroren kleren …’
‘Ach ja, natuurlijk. Gaat u maar snel door de volgende deur naar binnen, dat is de bijkeuken, daar brandt de kachel.’

Het was er inderdaad behaaglijk warm. In de hoek stond een klein houtkacheltje. Terwijl ik voor de kachel stond, ontdooide het ijs tussen de veters van mijn schaatsen, zodat ik die uit kon trekken. Daarna trok ik al mijn kleren uit.
Piemelnaakt stond ik voor de kachel. Een zalige warmte trok door mijn lijf.

Een deur ging open, het oude mensje keek om de hoek en trok meteen daarna haar hoofd weer terug. Van achter de deur riep ze: ‘Mijn man komt wel even met droge kleren.’
Even later kwam opa binnen. ‘Hier heb je wat droogs om aan te trekken. Maar ik denk niet dat het je maat is.’
Wat inderdaad klopte. In de broek die ik kreeg aangereikt, paste ik wel twee keer. En de mouwen van de trui, moest ik vijf keer omslaan voordat mijn handen er uitstaken. Als ik de broek niet omhoog hield, zakte hij spontaan naar beneden.
De vrouw, die kennelijk doorhad dat er geen blote man meer voor de kachel stond, was ook binnengekomen. Ik haalde juist mijn sportschoenen uit mijn rugzak. Die waren gelukkig niet nat geworden. Ik stapte er met blote voeten in. De vrouw pakte uit een kastje aan de muur een paar vuilniszakken. ‘Doe hier de natte kleren maar in.’

Mijn eerste probleem mocht nu zijn opgelost, ik realiseerde ik me dat er nog een tweede was. Met mijn ene hand moest ik mijn broek ophouden. Dan had ik nog één hand over om de beide vuilniszakken, die door de natte inhoud nogal zwaar aanvoelden, én een paar schaatsen vast te houden. En als dát al lukte, dan moest ik nog de afstand Giethoorn – Wanneperveen, toch zeker een kilometer of acht, zien te overbruggen.
Alsof de man mijn gedachten kon raden: ‘Ben je met de auto?’
‘Ja, die staat in Wanneperveen. Bij de ijsbaan.’
‘Dan bel ik straks mijn zoon, die woont hier dichtbij. Die brengt je wel even.’
Ik zag het meteen een stuk zonniger in: zó snel kunnen problemen zichzelf dus oplossen.

‘Maar eerst moet er bij jou wat antivries in. Kom maar mee naar de kamer.’
De antivries zat in een fles met op het etiket de tekst Sonnema.
Voor de man een mooi excuus om op een zondagmiddag al vóór vier uur aan de Beerenburg te gaan, want hij pakte twee glaasjes uit de kast.
De borrels smaakten uitstekend en we hebben gezellig zitten kletsen. Ze waren heel belangstellend. Waar ik woonde? In Hoogeveen. Of ik kinderen had? Ja, twee dochters, acht en vier; onze derde, een jongen, was in mei geboren. Waar ik werkte? Bij de Radiosterrenwacht in Dwingeloo. Wat ik daar deed? Iets met computers.
Toen de man voor de derde keer wilde inschenken, hield ik de hand boven mijn glas. Ik vond het heel gezellig, maar ik moest nog rijden.

De zoon was inmiddels gearriveerd om me met zijn auto terug te brengen naar Wanneperveen.
‘Die kleren hebben geen haast hoor. De winter lijkt nog niet voorbij te zijn, dus je komt binnenkort vast nog wel eens in Giethoorn,’ riep te man, terwijl hij en zijn vrouw mij bij de voordeur stonden uit te zwaaien.

Terug in Wanneperveen ontdekte ik dat het lampje van mijn benzinemeter brandde. Kut! Ik moest in Meppel tanken in die té grote broek. Dat moet een komisch gezicht geweest zijn. Gelukkig geen bekenden gezien.

Later die week was ik opnieuw in Giethoorn. Het had inmiddels een aantal nachten flink gevroren, zodat het ijs nu vast wél betrouwbaar was.
Ik had een taart gekocht, die ik samen met mijn noodkleren bij dat stel engelen zou afleveren. Helaas waren ze niet thuis. Op de doos van de taart daarom snel een paar woorden geschreven: Nogmaals bedankt! Kasper Kombrink. Daarna taart en zak met kleren bij de voordeur gelegd.

Een paar weken later, op de Radiosterrenwacht, ontving ik een grote enveloppe waarop met viltstift was geschreven: Kasper Kombrink, p/a Radiosterrenwacht, Oude Hoogeveensedijk 4, Dwingeloo.
In de enveloppe vond ik mijn schaatssokken en een briefje: Waarde sportvriend, deze sokken was je vergeten. Aangezien we geen adres van je hadden in Hoogeveen, hebben we ze maar naar je werk gestuurd. PS: De taart smaakte heerlijk.

Geschilderd door Gert Tangenberg – Nieuw-Amsterdam