IJspret?

Donderdag 24 december 1964. Ik was zeventien en zat in het eerste jaar van de HTS. Na vier maanden hard werken, was die middag de kerstvakantie begonnen. Met een prachtig vooruitzicht: het had al een aantal nachten gevroren, de ijsbaan was inmiddels geopend en het zou zeker nog een week winter blijven, met af en toe zelfs strenge vorst.
Mooier kon het niet: een periode met ijs tijdens de vakantie. 
Die avond stapte ik op de fiets en reed naar ijsbaan De Oosterboer, achter het Meppeler ziekenhuis. Maar de komende dagen zou er ongetwijfeld ook op en rond de meren bij Giethoorn en in de Weerribben geschaatst kunnen worden. Als fanatiek schaatser kon ik mijn geluk niet op.
Mijn schaatsvrienden, die ik op de ijsbaan ontmoette, waren het met mij eens: het zou een fantastisch schaatsweekje worden. Het was gezellig druk op de ijsbaan. Dat, in combinatie met de niet al te felle verlichting, de muziek die soms verwaaid uit de luidsprekers klonk, maakte er een sfeervol geheel van. 

Bij de ingang stond een houten keet, waar we af en toe even gingen zitten om wat te drinken en een beetje op te warmen. Ik kan me nog zo de lucht die daar hing voor de geest halen: de geur van het petroleumstel waarop de ketel chocolademelk stond.
Na zo’n korte pauze stonden we dan op om weer verder te gaan met het draaien van onze rondjes: vlak langs de sneeuwrand aan de binnenkant van de baan. Hier schaatsten alleen de snelle jongens. Waar ik toen ook deel van uitmaakte.
Tijdens een van die rondjes kwam de man die voor me reed met zijn schaats in een scheur, waardoor zijn andere been achteruit schoot en de scherpe punt van zijn noor mijn scheenbeen raakte.
Oei, dat deed pijn! Rustig ben ik naar de kant gereden en op een bankje neergeploft.
Ik was al bezig mijn schaatsen af te binden. Maar toen de pijn wat begon te zakken, knoopte ik mijn veters weer vast. Niets van deze prachtige schaatsavond wilde ik missen.
Hoewel ik er tijdens het schaatsen best last van had, heb ik de rest van de avond toch nog heerlijk gereden. 

Toen ik later thuiskwam, zaten mijn ouders met een glaasje alvast een beetje kerst te vieren. Het zag er zo gezellig uit, dat ik besloot me niet meteen te gaan douchen, maar eerst een glaasje sherry mee te drinken.
‘Wat heb je aan je been?’ vroeg mijn moeder opeens.
En toen zag ik het: op de plaats waar die schaats mij geraakt had, was mijn schaatsbroek doordrenkt met bloed. En toen ik de broek wat omhoog probeerde te schuiven zag ik het bloed langs mijn scheenbeen mijn sokken in lopen. Waarschijnlijk was het bloeden door de combinatie van de warmte in de kamer en de alcohol pas goed op gang gekomen.
Toen mijn ouders de wond bekeken, waren ze het er snel over eens: hier moest de dokter naar kijken, vanavond nog. Dus moeder dokter Frentzen gebeld: we konden meteen komen.

Ik weet niet meer hoeveel hechtingen erin gezet werden, maar het waren er nogal wat. En ik kreeg een heel duidelijke boodschap mee: ‘Het been niet belasten, dat betekent er niet op lopen.’
‘Dus ook niet schaatsen?’
Enigszins verbaasd keek de arts mij aan: ‘Want denk je zelf?’ waarna hij vervolgde: ‘Over een week terugkomen om de hechtingen te laten verwijderen.’
Het was of mijn wereld instortte. Daar ging mijn schaatsweek: mijn tochtjes op de Wieden en verder. En de avonden waarop we na zo’n tocht toch nog even naar de ijsbaan fietsten, alles was over.

De dagen die volgden, wilde ik niets van het schaatsgebeuren missen. Ik fietste naar alle plaatsen waar maar geschaatst kon worden: naar de ijsbaan De Oosterboer, naar de parkvijver, de Wold AA. Tijden zat ik dan op de bagagedrager van mijn fiets het schaatsen van de anderen te aanschouwen. En de geluiden tot mij door te laten dringen: het gelach en het krassen van de schaatsen op het ijs. Vooral het laatste.
‘s Avonds op het TV-journaal zag ik de beelden van schaatstochten die overal werden gehouden. ‘Nu het nog kan,’ werd er steeds bijgezegd. Verdomme, over een paar dagen zou het misschien gaan dooien? Ook dat nog. Dan mag ik straks weer en dan kan het niet meer?

Op woensdag 30 december viel inderdaad de dooi in. Volgens het KNMI zou het die dag meer dan vijf graden worden en ook werd er regen verwacht. Maar dat ijs was toch maar zo nog niet weg? Zou ik dan misschien toch nog?
‘Ik ga naar de dokter, de hechtingen eruit laten halen,’ zei ik tegen mijn moeder tijdens het ontbijt.
‘Maar je mocht toch pas over een week, morgen of vrijdag?’
Moeder kon praten wat ze wilde, maar twintig minuten later zat ik in de wachtkamer bij dokter Frentzen. Die zonder te protesteren de hechtingen verwijderde.

Als een dolle fietste ik naar huis, waar ik snel mijn schaatskleren aantrok.
‘Maar het dooit en er is regen voorspeld,’ wierp moeder tegen.
Mijn besluit stond echter vast.

Twintig minuten later was ik bij de ijsbaan. Verder was er niemand. Natuurlijk niet. Wat een ander beeld dan donderdagavond.
Maar dat maakte mij op dit moment niets uit. Ook niet dat er al een flinke laag water op het ijs stond. Ik kon schaatsen, dat was het enige wat telde.
Tijdens de eerste rondjes begon het te regenen. De regendruppels vermengden zich met mijn tranen. Tranen van blijdschap.
Na een paar uur was ik kletsnat. Van de regen en van het opspattende water. Maar ik hád geschaatst.
Op die ochtend, woensdag 30 december 1964, heb ik misschien wel meer van het ijs genoten dan tijdens de vele, vaak prachtige tochten, die ik in de jaren daarna maakte.

 

Met dank aan het KNMI, waardoor ik precies kon terughalen in welk jaar dit gespeeld heeft.