Mijn schooltijd (2) – de lagere school

Terug naar mijn schooltijd

De eerste schooldag

Na de zomervakantie in 1953 begon de volgende fase van mijn schoolleven: de grote school. Was het op de kleuterschool nog spelen, vanaf nu werd het echt: ik zou leren lezen en schrijven. 
Op een mooie augustusmaandag bracht moeder mij voor het eerst naar school: de Vledderschool in de Vledderstraat.
Toen we bij de school aankwamen, keek ik verbaasd omhoog. Wat een groot gebouw. Veel groter dan onze kleuterschool.
Op het schoolplein voor de school stonden moeder en ik samen met een hoop andere kinderen met hun moeder of vader te wachten tot we naar binnen mochten. Ik vond het heel spannend. Andere kinderen ook, want ik hoorde sommige huilen.
Opeens ging een van de grote deuren open en verscheen er een juf in de deur. Ze had een vel papier in de hand. Een voor een las ze de namen voor.
‘Nu goed luisteren,’ zei moeder. ‘Als jouw naam genoemd wordt, mogen we naar binnen, naar je klas.’ 
Na het afroepen van elke naam liep een moeder of een vader samen met een kind door de grote deur naar binnen. Ik kon haast niet wachten tot het mijn beurt was. Maar wat was dat? Ook de juf liep nu naar binnen, terwijl ze de deur achter zich sloot.
Ik raakte in paniek. ‘Ze is mij vergeten,’ riep ik uit. 
Moeder begon te lachen. ‘Nee hoor,’ zei ze, ‘In dit gebouw zijn twee scholen. Dit was vast de juf van de andere school.’ 
Op hetzelfde moment ging de deur weer open. Nu stond er een andere juf, die de namen ging oplezen.
Opeens hoorde ik: ‘Kasper Kombrink’. Hè gelukkig, ze waren me niet vergeten.
‘Kom maar gauw,’ zei moeder, terwijl ze mijn hand pakte. ‘We gaan je klas opzoeken.’ 

 

Het schoolgebouw

Rechtsonder de Vledderschool. Rechts ervan het gymnastieklokaal. Achter de school het sportveld.

De Vledderschool was een imposant gebouw, waarin twee openbare scholen waren gevestigd: School A was beneden, school B boven. Ik ging naar school B, waar meester van Eijsden het hoofd was. 

Het schoolplein liep om de hele school heen. Het gymnastieklokaal stond naast de school, het sportveld lag erachter.
Aan de noordzijde grensde het sportveld aan de panden van de Woldstraat. In één van die panden zat toen een zelf slachtende slager. Elke dag, zes jaar lang, hoorden we vanuit de school de angstkreten van de dieren in de slachterij. We keken daar niet meer van op: het hoorde er gewoon bij. Vonden we toen.

 

De lokalen

De klaslokalen waren hoog en hadden hoge ramen, zodat we tijdens de les niet naar buiten konden kijken.
Aan de muur voor in de klas hing het zwarte schoolbord, dat zo naar kon piepen als juf of meester met een krijtje op dat bord schreef.
De kaart van Nederland hing opgerold boven het bord. Als we Aardrijkskunde hadden liet de leerkracht die zakken.
Aan de muren rondom het lokaal  hingen verschillende wandplaten. Onder andere over de natuur.

We zaten twee aan twee in banken, jongens bij jongens, meisjes bij meisjes, drie rijen naast elkaar. 
Onder het schrijfblad ‘het vak’, daarin  konden we de boeken en schriften opbergen. In het schrijfblad zat een inktpot. We schreven in onze schriftjes met een kroontjespen. Die moest je voorzichtig in de inktpot dopen. Niet te diep, want dan kwam er teveel inkt aan de pen en kreeg je inktspetters of -vlekken. De pen maakte je schoon aan een inktlap.
Met die inktpot kon je trouwens heel leuke dingen doen. Bijvoorbeeld er in blazen. Dat deed je maar één keer en daarna nooit weer. Ook kon je er de vlecht van het meisje in de bank voor je inhangen. Meisje boos en juf of meester boos. 
Als je iets had gedaan, wat niet mocht, dan moest je voor straf ‘in de hoek staan’. Of strafregels schrijven. Honderd keer of vaker: ‘Ik mag niet … etc’ 

 

Kroontjespen
Kroontjespen met houder
Inktlap bij inktpot

 

 

 

 

 

Op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag gingen we van kwart voor negen tot kwart voor twaalf en van half twee tot half vier naar school. Op woensdag en zaterdag ‘s ochtends van kwart voor negen tot kwart voor twaalf. Om half elf hadden we pauze: speelkwartier werd dat genoemd. 

 

Wat we leerden

Het leesplankje

In de eerste klas hing aan de muur een aap-noot-mies wandplaat. Ook hadden we allemaal een aap-noot-mies leesplankje in ons vak. Dat was een plankje met richels waarop de letters van het woord bovenop de richel konden worden gelegd. Zo leerden we lezen.

 

 

 

 

Het schuinschrift zo wij dat leerden

Schrijven leerden we met behulp van een wandplaat waar in schuinschrift de hoofd- en kleine letters en de cijfers stonden. In ons schrift moesten we dan binnen de lijntjes die letters overschrijven.

 

 

 

 

 

Bij rekenen begonnen we met optellen en aftrekken. Daarna vermenigvuldigen en delen. Voor dat laatste moesten we de tafels leren. Dat deden we door ze gezamenlijk op te dreunen;
‘Eén keer acht is acht, twee keer acht is zestien, drie keer acht is vierentwintig, etc.’
En dat soms meerdere malen per dag.
Breuken kregen we pas in de vijfde of zesde klas.

Bij aardrijkskunde (eigenlijk topografie) deden we eerst de kaart van Nederland. Op de kaart die voor het bord hing, waren de provinciehoofdsteden en andere grotere steden aangegeven als grijze vlekken of rode stippen, afhankelijk van de grootte van de stad. Er stonden geen plaatsnamen bij. De leerkracht wees met de aanwijsstok een plaats aan en wij moesten om beurten zeggen welke plaats dat was.
Later behandelden we op soortgelijke wijze de provincies.

Bij vaderlandse geschiedenis werd heel veel aandacht aan de Germanen en de Romeinen besteed, blijkbaar vond men dat in die tijd belangrijker dan de meer recente geschiedenis.

 

Schoolmelk

Er was een periode dat we vlak voor de pauze schoolmelk kregen. Van die kleine, kwart-liter flesjes gevuld met warme (lauwe) melk. Bah! Dat moest, omdat het gezond was. Zei men toen.
Elke ochtend werd de melk bezorgd met een auto van de melkfabriek. We hoorden dan buiten de flesjes in de metalen kratten rammelen. 
Een paar jongens uit de zesde klas brachten de kratten naar de lokalen. 
We dronken de melk met een rietje, dat we in het gat in de aluminium dop staken. Dat gat werd er er met een potlood ingeslagen. Om beurten mochten de kinderen dat doen. 
De eigen bijdrage van mijn ouders was 35 cent per week.

 

Badhuis

Badhuis in de Marktstraat

Elke maandagmiddag gingen we naar het badhuis. Ergens vanaf de derde klas. Totdat we zelf thuis een douche kregen. 
Het badhuis was vlakbij de school, in de Marktstraat. Meneer Peters was daar de beheerder. In de zomer werkte hij in het zwembad.
In een grote ruimte waren tegen de wanden rondom de badhokjes gesitueerd. Zonder deuren. In plaats daarvan hing er een wit zeiltje, vanaf je knieën tot aan je borst.
Ik zie mezelf nog onder die sproeier staan, die keer dat ik, verstrooid als ik soms was, vergeten was mijn ondergoed uit te trekken. 

 

 

De juffen en meesters kan ik me stuk voor stuk nog goed herinneren. Sommige waren heel leuk en lief, andere juist het tegenovergestelde.

 

De eerste en de tweede klas

Juf Reinders was mijn eerste juf. Erger heb ik tijdens mijn hele schoolcarrière niet meer meegemaakt. Wat een kreng. Die kon tekeer gaan. En dat tegen een klas vol zesjarigen die net die hele spannende stap naar ‘de grote school’ hadden gezet.
Als ze weer een van haar buien had, durfde ik niet naar haar te kijken. Met kloppend hart ik keek dan omlaag, naar de vloer. Ik hoef nu mijn ogen niet eens dicht te doen om de naden tussen de planken opnieuw te zien.

Halverwege dat eerste jaar werd juf Reinders vervangen. Achteraf begrijp ik wel, waarom.
De nieuwe juf, juf Rademaker, was in alles het tegenovergestelde van haar voorgangster. Wat een lief mens was dat. En wat werd het opeens veel leuker in de klas. 

In de tweede klas hadden we opnieuw Juf Rademaker.

 

De derde en de vierde klas

In de derde klas kregen we een meester: meester Edel. Een heel aardige, rustige man.
In deze klas wat heftigs meegemaakt: het schoolreisje naar Emmen, waar ik ‘s middags verdwaalde in het bos. Hierover heb ik een afzonderlijk verhaal geschreven. 
Toen ik in de derde klas zat, had de vierde klas les van meester Götz. 

Op een woensdagmiddag fietste deze meester bij ons door de straat. Wat was er voor de achtjarige Kasper nu leuker dan hem na te roepen. En omdat je op meesters achternaam zo lekker kunt rijmen, riep ik: ‘Meester Götz, kuts!’
Ík vond het leuk, mijn buurkinderen vonden het leuk. Maar wat de meester ervan vond, wist ik op dat moment niet: zonder wat te zeggen fietste hij door.

De volgende ochtend klopte een meisje uit de vierde op de deur van ons lokaal. Of Kasper Kombrink even mee kon komen naar de klas van meester Götz. Daar bleek wat die meester vond van mijn rijmelarij de vorige dag.
‘Ga maar op mijn tafel staan, dan kan iedereen je goed zien.’
Toen ik op de tafel voorin het lokaal was geklommen, zei hij: ‘Herhaal nu maar eens wat je me gister nariep.’
Binnensmonds mompelde ik ‘Meester Götz, kuts.’
Kunnen jullie verstaan wat Kasper zegt, kinderen?’ 
‘Neeeee!’
‘Een beetje luider graag, Kasper.’
‘Meester Götz – kuts!’ schreeuwde ik.
Nadat de klas was uitgelachen, mocht weer terug naar mijn eigen lokaal.

Meester Edel ging met ons mee naar de vierde klas.

 

De vijfde klas

In de vijfde klas kregen we meester Koops. Een oude, vreselijk onsympathieke man.
Ik had eens een akkefietje met hem. Tijdens de leesles moesten we om beurten, in de volgorde waar we zaten, een stukje hardop lezen. Ik vermoed dat hij niet luisterde, want op fout uitgesproken woorden reageerde hij nooit. Eens in de zoveel tijd gaf hij aan dat de volgende aan de beurt was: ‘Vogggd.’ Zijn manier om het woord ‘volgende’ uit te spreken. Scheelde een derde van de tijd, raakte hij niet zo vermoeid.
Het was vlak voor de kerstvakantie. Meester had de rapporten al uitgereikt. Voordat we naar huis mochten, hadden we nog een leesles. Normaal las ik altijd mee met degene die hardop las. Zeker als ik bijna aan de beurt was. 

Rapport 5e klas

Maar die ochtend was ik met mijn gedachten al bij de weken vrij, die we voor de boeg hadden, toen ik uit mijn overpeinzingen wakker schrok. 
‘Vogggd’. 
Oh jé, met was mijn beurt. Geen idee waar de vorige was gebleven. Ik begon zomaar ergens te lezen, waarbij bleek dat meester wel degelijk oplette.
Hij kwam vanachter zijn tafel vandaan, liep naar me toe, stak zijn hand uit en zei: ‘Rapport.’
Ik begreep dat hij mijn rapport terug wilde hebben. Geen idee, waarvoor.
Hij nam plaats achter zijn tafel, pakte een gummetje en gumde een paar cijfers weg. Daarna pakte hij zijn pen, schreef wat in het rapport, kwam opnieuw naar me toe en smeet, zonder wat te zeggen, het rapport voor me neer.
‘Kasper weet vaak zijn leesles niet,’ had hij erin geschreven. En dat, terwijl dit de allereerste keer was. Verder had hij twee cijfers veranderd: van de 8 voor vlijt had hij een 7 gemaakt en van de 7 voor aardrijkskunde een 6. Wat een rot streek!
Ik weet nog dat mijn vader verschrikkelijk boos werd toen ik hem het rapport gaf en vertelde wat er gebeurd was. Hij zou hier werk van maken. of dat ooit gebeurd is? Ik heb er later niet meer over gehoord.

Aan het eind van het schooljaar was ik maar wat blij dat ik over was naar de zesde klas en dus was verlost van die nare meester Koops.

 

De zesde klas

Ik kwam nu in de klas bij meester van Eijsden, tevens het hoofd van de school. Deze leek in niets op mijn vorige leerkracht. Wat een lieve meester was dat.
Ik herinner me vooral nog zijn verkeerslessen en zijn zanglessen.
Wat de verkeerslessen betreft: volgens mij had hij de een of andere functie bij Veilig Verkeer Nederland. Ik herinner me een metalen VVN-plaatje aan zijn fiets.
De lessen wist hij prachtig te brengen. Voor zo’n meester wilden wij ons best doen. En we wilden natuurlijk slagen voor het verkeersdiploma, later in het jaar.
Het verkeersdiploma heb ik overigens nooit gehaald: op de dag van het schriftelijk examen was ik ziek. En toen kon ik ook niet meedoen met het praktijkexamen.
Het meest genoten heb ik in dat jaar van de zanglessen. Ik meen me te herinneren dat er een piano voor in het klaslokaal stond. Meester was blijkbaar nogal gecharmeerd van mijn stem, want ik mocht regelmatig solo zingen.
We zongen canons als ‘Vader Jacob’ en ‘De uil zat in de Olmen’. Maar het allermooiste lied vond ik ‘Klokke Roeland‘. Vooral het refrein wist me elke keer dat we het zongen te ontroeren. Geen idee hoe dat komt, maar nu, terwijl ik dit schrijf, heb ik dat nog steeds.
‘Film!’ riep de hele klas verrast als we het lokaal binnenkwamen en meester was bezig zo’n grote filmspoel in de projector te zetten. De verduisteringsgordijnen waren al dicht en de lampen waren aan. Straks, nadat de film was gestart, zou meester de verlichting uitschakelen en zaten we heerlijk knus bij elkaar, met op de achtergrond het getik van de projector. 
Het mooist vond ik de films waarop te zien was hoe iets werd gemaakt. Bijvoorbeeld in een fabriek. 

 

Kwekelingen

In elke klas hadden we wel meerdere keren een kwekeling. Dat waren stagiairs van de Kweekschool (Officiële naam: Kweekschool voor onderwijzers), tegenwoordig de Pabo.
Heerlijk vond ik de lessen die door de kwekelingen werden gegeven.
Achteraf natuurlijk heel begrijpelijk: het waren geen op routine afgedraaide verhaaltjes, maar speciaal voorbereid voor die ene les waarin de stagiairs wilden schitteren.

 

Meester Pit

Ik herinner me ook nog een meester Pit. Geen idee wanneer we die hadden. Volgens was hij tijdelijk onze meester. Nam hij tijdelijk waar bij ziekte of voortijdig vertrek van een leerkracht? Ik kan het me niet meer voor de geest halen.
Eén anekdote over hem staat me nog bij:
Op een mooie zomerdag kwamen we met de klas van Sportpark Ezinge. Onder begeleiding van meester Pit. Op de hoek van de Ezingerweg en de Violenstraat was een kruideniers- of groentenwinkeltje.
‘Meester, mogen we een ijsje kopen?’
Dat mocht dus niet. Maar wij, met een stuk of tien, deden het dus wel.
Bij de Hoogeveenseweg stond meester met de rest van de kinderen op ons groepje te wachten. Zodra we ons bij de anderen hadden gevoegd, pakte hij alle zondaars het ijsje af, stak de weg over en gooide ze in de Hoogeveense Vaart.

Vledderschool

Terug naar mijn schooltijd