Mijn werkzame leven (3) – Nira

Terug naar mijn werkzame leven

Op 13 december 1971 begon ik aan mijn derde baan: systeemanalist-programmeur bij Nira in Emmen.  Ondanks het feit dat ik toen nog geen enkele ervaring had met het ontwikkelen van software, werd ik dankzij mijn HTS-diploma toch aangenomen. In die tijd bestond er nog geen HBO-Informatica, dus geschoold personeel was niet te krijgen. Bedrijven namen de scholing van hun ICT medewerkers zelf ter hand. Zo ook in mijn geval.  

Nira was een familieonderneming waar elektronische oproepsystemen voor ziekenhuizen werden gemaakt. Het bedrijf stond onder leiding van de drie broers de Graaf: Nico, Hans en Cees. Om verwarring te voorkomen, werden ze aangesproken met hun voornamen. Wel netjes met ‘meneer’ ervoor, dat hoorde nog zo in die tijd. De taken van het drietal waren duidelijk verdeeld: meneer Nico was verantwoordelijk voor de commerciële activiteiten, meneer Hans voor de ontwikkeling en de ICT, terwijl meneer Cees de leiding had over de productie. 

IBM System/3

Het bedrijf werkte met een IBM Systeem/3 computer met 32Kb extern geheugen,waaraan gekoppeld een printer, een gecombineerde kaartlezer/kaartponser/kaartsorteerder voor kleine 96-koloms ponskaartjes en twee discdrive units. Elke unit bevatte een vaste en een verwisselbare schijf, elk met een capaciteit van 2,5 Mb. Zodat het totale externe geheugen 10 Mb was. (In mijn herinnering was het deze configuratie en via Google vond ik dat dit een veelvoorkomende configuratie was.).

Op het systeem was een RPG 2-compiler geïnstalleerd. RPG 2 was een fixed format taal: er werden acht verschillende formulieren ingevuld, onder andere voor het beschrijven van de files, de invoer, de berekeningen, de uitvoer. Alles stond binnen zo’n formulier op vaste posities.
Binnen een RPG-programma wordt steeds de vaste cyclus input, calculations, output uitgevoerd. De operaties die in die drie fasen moeten worden gedaan, worden geconditioneerd met indicatoren (die in een andere fase aan- of uitgezet kunnen worden). 

Omdat ik nog nooit had geprogrammeerd en het Systeem/3 van IBM niet kende, moest ik om te beginnen op cursus. Het hele programma dat IBM aanbood moest ik volgen: 8 cursussen. Weken heb ik doorgebracht in Amsterdam en in Utrecht.
Toen ik terug was in Emmen, kon ik programmeren. In de taal RPG 2. En kende ik het System/3 een beetje. 

Het kantoorgebouw van Nira aan de Nautilusstraat in Emmen. Mijn werkplek bevond zich op de 1e verdiepng.

De computer stond in een, speciaal daarvoor ingerichte airconditioned ruimte in het souterrain van het kantoorgebouw. 

Ik werd ondergebracht op de afdeling Administratie, waar de heer van der Lei de scepter zwaaide. Hij werd ook mijn directe leidinggevende. Een wat vreemde constructie, omdat ik wat mijn werkzaamheden betrof, alleen maar met meneer Hans had te maken.

Mijn bureau stond in een kantoorlandschap. Hier vertoefde ik een groot deel van de dag samen met een drietal boekhouders, enkele administratieve medewerkers (voor het grootste deel dames) en van der Lei himself. Wat de mederwerkers betreft: vooral Leneke herinner ik me nog goed: ze bleef mij achtervolgen. (zie Mijn werkzame leven (4) – Samsom).
Ook Marja, de benjamin van de afdeling, zie ik nog zo voor me. Vooral die keer dat ze me vroeg of ik zin had in een lekkere sigaar (het was toen nog heel ‘normaal’ om op de werkplek te roken). Dat had ik dus. Waarop Marja de ruimte uitliep om even later terug te keren met een duur ogend exemplaar.
Een paar minuten later ging mijn telefoon: meneer Nico vroeg of ik even langs wilde komen. Ik mét sigaar naar de verdieping onder ons, waar de directiekamers lagen. Op Nico’s bureau stond een kist met dezelfde sigaren als ik in mijn vingers had.

Bij mijn dagelijkse werkzaamheden had ik overigens niets met bovengenoemde personen te maken.
Daar ging het vooral om meneer Hans,  Harrie Stuit en Bram Beek, de operators en Thea Prinsen, de ponstypiste. Wij schreven onze programma’s op speciale formulieren, die door Thea werden geponst op een offline ponsmachine. Het kwam regelmatig voor dat je later het pakje kaarten terugkreeg, waarbij Thea aangaf dat ze iets veranderd had (zowel op het formulier als op het betreffende kaartje) omdat er volgens haar iets fout was. Wat ook in 99% van de gevallen bleek te kloppen. Wat een slimme meid was dat. 

Een groot deel van de software, die draaide op de IBM-computer, was door meneer Hans ontwikkeld. Hij was een hobbyist: hele zondagen was hij op het bedrijf aanwezig om zich uit te leven.

Het fabricageproces en de orderafhandeling werd helemaal geregeld door de IBM-computer.  De basis hiervoor was IBM’s Bill Of Material Processor (BOMP).
In dit systeem was van alle producten die Nira leverde, vastgelegd uit welke onderdelen en halffabrikaten het betreffende product werd opgebouwd. Ook voor de halffabricaten waren soortgelijke lijsten opgenomen.
Elke dag werd voor elk product op de door afnemers geplaatste orders, een kaartje geponst. Deze kaartjes werden ingelezen en met behulp van de opgeslagen stuklijsten werd voor elk halfproduct en onderdeel door de computer een kaartje geponst. Op het moment dat het onderdeel werd geleverd of het halfproduct was gemaakt, werd het kaartje weer gelicht, er een code bij geponst, en weer ingelezen. Elke dag, week en maand werd betreffende informatie afgedrukt. De printer draaide dan een hele nacht door.
 
Van de door meneer Hans ontwikkelde programma’s (de interface met de BOMP), stond niets op papier. Ook in de programmacode zelf was geen enkel verklarend commentaar opgenomen. Bij IBM had ik geleerd hoe belangrijk goede documentatie is. Toen ik voorstelde om van alle programma’s documentatie aan te leggen, vond meneer Hans dat maar onzin. Ik hoor het hem nog zeggen: ‘Ik weet hoe het werkt, u weet hoe het werkt. Dat lijkt me voldoende. Het enige wat we dus niet moeten doen, is bij elkaar in de auto gaan zitten.’ (Hij bleef inderdaad heel vormelijk meneer Kombrink en u tegen mij (twintiger) zeggen.

Welke programmeerklussen met betrekking tot de BOMP ik heb uitgevoerd? Ik kan het me écht niet meer herinneren. 

Wat ik me nog wel kan herinneren is een klus die ik heb uitgevoerd voor de commercieel directeur. Hij had een systeem uitgedacht, waarbij verkopers van Nira-producten punten konden verdienen, die ze later konden inwisselen voor cadeaus. Het bezoeken van een potentiële klant, het verzorgen van een demonstratie, een klant die een orde tekende, het leverde allemaal een bepaald aantal punten op. Ik heb software geschreven om de bijbehorende formulieren in te lezen en de overzichten uit te printen. 

De meest uitgebreide, de leukste en tevens de pittigste klus die ik in mijn bijna drie jaar durende Nira-tijd heb uitgevoerd draaide niet op het IBM-systeem, maar op een Philips officecomputer.

Philips P353 Office Computer

Op enig moment wilde men de boekhouding en de salarisadministratie automatiseren. Niet alleen in Emmen maar ook bij de verkoopkantoren in Utrecht, Düsseldorf en Parijs. Besloten werd om daarvoor een viertal Philips officecomputers P353 aan te schaffen.
De software zou door mij geschreven worden, waarbij ik boekhoudkundige ondersteuning kreeg van administrateur Gradus.

Ook hiervoor moesten we weer op cursus, deze keer in Rijswijk. De programmeertaal die werd gebruikt was PAL (Philips Assembler Language). 
De machine had een geheugen van 1000 woorden van 16 bits (2000 bytes). De instructies waren ook 16 bits lang. Een deel van het geheugen werd gebruikt voor tijdelijke gegevensopslag, de rest was beschikbaar was voor het programma. Een zo beperkt geheugen betekende slim programmeren. Je kon bijvoorbeeld het niet gebruikte deel van sommige instructies gebruiken voor gegevensopslag. Maar het bleef schipperen met de ruimte.
Het systeem werkte met magneetstripkaarten. Wat werd afgedrukt kon ook worden opgeslagen in de magneetstrip. Een soort extern geheugen dus.
Programma’s werden geschreven in PAL, vervolgens geponst. Daarna moest de stapel ponskaarten vertaald worden (dat heet compileren) naar machinecode. Dat leverde weer een stapel ponskaarten: het uitvoerbare programma. Om dit programma uit te voeren moest de stapel ponskaarten eerst worden ingelezen met de (niet al te snelle) ponskaartlezer achterop de machine.
Dat compileren kon echter niet op onze machine, daarvoor moesten we naar het Philips verkoopkantoor in Haren.
Onze werkwijze was: programma schrijven, het geschreven programma naar een ponsbureau sturen, later met het pakje ponskaarten naar Haren om het te compileren, terug naar Emmen, het gecompileerde programma inlezen en testen. Tijdens het compileren krijg je ook een uitdraai van het vertaalde programma. Als er bij het testen fouten werden geconstateerd, dan konden die rechtstreeks in het geheugen worden aangepast. We maakten daarvan ook een aantekening in de programmalisting. Als het allemaal te onoverzichtelijk werd, dan gingen we weer naar Groningen, ponsten voor de wijzigingen nieuwe kaarten, voegden die op de juiste plaats in de stapel en gingen weer compileren, wat weer een nieuwe stapel ponskaarten opleverde: de volgende versie van het uitvoerbare programma in machinecode etc.
Toen de tijd ging dringen, moesten we iets bedenken om de doorlooptijd te verkorten. Ik heb toen een aantal weken ‘s nachts gewerkt. Ik ging testen, schreef de handmatig uitgevoerde wijzigingen op de programmalisting. Gradus reed de volgende dag naar Groningen om programmakaarten te wijzigen of nieuwe in te voegen en vervolgens het programma te compileren, zodat ik de volgende avond weer verder kon met een vers pakket machinecode.
Met de mogelijkheden van nu is dit haast niet meer voor te stellen.
Die nachtelijke werkzaamheden leverden me wel een keer een bezoekje van de politie op: ze zagen me aan voor een inbreker.
Toen we de programma’s uiteindelijk draaiend hadden werden ze voor Frankrijk en Duitsland nog verder aangepast. Taal-, maar ook land-specifieke zaken, zoals percentage BTW etc.
De pakketjes ponskaarten waarop het uitvoerbare programma in machinecode gingen tenslotte naar de verschillende vestigingen. Met de nadrukkelijke boodschap de kaarten nooit te laten vallen, in verband met de volgorde.

Alles bleek naar wens te draaien. Totdat ik op een avond werd gebeld door chef van der Lei: in Düsseldorf hadden ze opeens een probleem met een van de programma’s. Of ik er de volgende dag meteen naar toe wilde gaan om een en ander te bekijken en op te lossen.
Toen ik de volgende dag ter plaatse was, en had aangehoord wat het probleem was, heb ik het programma ingelezen. Niets aan de hand: het programma liep als een tierelier.
Fräulein Riken, degene die met het systeem werkte, zat met grote ogen te kijken: gisteren ging het toch echt fout.
Ik begreep er niets van: nog maar een keer ingelezen. Nu liep het programma inderdaad vast. De derde poging ging het weer goed. Rätselhaft.
Met het pakje kaarten in mijn handen zat ik na te denken wat het kon zijn. Opeens had ik een idee. Alle kaarten stuk voor stuk bekeken en inderdaad: in één van de ponsgaatjes was het uitgeponste blokje blijven zitten: met één van de lange kanten zat het nog aan de kaart vast. Een soort deurtje. Dat soms open stond en soms dicht was. In het eerste geval ging het goed, in het tweede fout. Probleem opgelost. Binnen een uur was ik weer op de terugweg. 

Het IBM systeem werkte met van die kleine 96-koloms ponskaarten. Omdat we op dat systeem zelf programmeerden, hadden we een ponsmachine voor die kaartjes.
Het Philips-systeem werkte met de grote 80-koloms kaarten. Omdat het bulk-ponswerk werd uitbesteed, was daar geen ponsmachine voor aangeschaft. Voor het ponsen van enkele kaarten konden we terecht in Haren. Ik had inmiddels ontdekt dat in de Weiert in Emmen  een softwarehouse was gevestigd: Samsom. Een onderdeel van de uitgeverij uit Alphen aan den Rijn. Zij werkten met 80-koloms kaarten. Eén telefoontje was voldoende om af te spreken dat ik van hun ponsmachine gebruik mocht maken als het om kleine hoeveelheden ging. Tijdens een van die bezoekjes kwam ik aan de praat met Gerhard, een van de medewerkers daar. Hij vertelde dat ze dringend op zoek waren naar RPG 2-programmeurs. ‘Heb je geen zin om hier te komen werken?’
Het sprak me eigenlijk wel aan. Het bedrijf maakte software voor derden. Het werkgebied was in principe Noord- en Oost-Nederland, maar omdat daar nog nauwelijks een markt was, werkten ze in het hele land, vooral in de Randstad.
Na een aantal gesprekken diende ik bij Nira mijn ontslag in. Meneer Hans had er wel begrip voor: ‘U bent nog jong, ik begrijp dat u zich nog niet aan een bedrijf wilt binden.’
Van der Lei daarentegen was des duivels. Ik hoor het hem nog zeggen: ‘Ik had altijd veel vertrouwen in de figuur Kombrink, maar dat vertrouwen is nu helemaal weg.’
Om een beetje van dat vertrouwen terug te winnen, wist ik in overleg met mijn nieuwe werkgever te regelen dat ik daar de eerste drie maanden voor 50% zou worden ingepland, zodat ik voor de andere 50% bij Nira kon blijven werken om mijn opvolger in te werken. 

Terug naar mijn werkzame leven