Oma Leunge

Mijn beide opa’s heb ik niet gekend en zij mij niet. De oma van mijn vaders kant is overleden toen ik drie was. Van haar kan ik me niets meer herinneren. Maar oma Leunge, de oma van mijn moeders kant herinner ik mij nog goed. Ze was een heel lieve vrouw. 
Na het overlijden van haar man Albert Leunge, heeft mijn moeders broer, oom Arend, de boerderij in Ruinerwold overgenomen. Oma is bij oom Arend en tante Annigje in blijven wonen. Veel later, tijdens haar ziekbed, is ze door tante Annigje liefdevol verzorgd. 
Ik heb verschillende herinneringen aan oma. En die spelen zich allemaal af op de boerderij in Ruinerwold. Best vreemd eigenlijk. Wij woonden in Meppel, op een afstand van nog geen tien kilometer. Toch kan ik me niet herinneren dat ze ooit bij ons thuis is geweest. Hoewel ze daar natuurlijk best regelmatig geweest zal zijn. 
In mijn vroegste herinnering was ze nog niet ziek. Ik zie haar zitten voor de kachel in de woonkeuken. Helemaal in het zwart. Het haar steil achterover. Een mandje met aardappelen, die ze aan het schillen was op schoot. 
Later, tijdens haar ziekte, lag ze op bed. In de “mooie kamer”. Een klein mager vrouwtje in een witte nachtpon. Ik heb geen idee hoe lang ze daar heeft gelegen. Het zal best een tijdje geduurd hebben want ik kan me er nog vrij veel van herinneren. En wat haar precies mankeerde weet ik ook niet. Ze moet wel dementerend geweest zijn, zoals verderop zal blijken. 
Oma had 7 kleinkinderen. Allemaal jongens. Achteraf denk ik dat ik haar lievelingskleinzoon was. Ik herinner me dat ik met mijn ouders een keer op mijn verjaardag bij haar op bezoek ging. Terwijl ze me feliciteerde drukte ze mij een briefje van vijfentwintig gulden in de hand. Heel klein opgevouwen. En ze fluisterde me toe: ‘Niet teeg’n de ander’n zegg’n heur!’ Vijfentwintig gulden moet in die tijd (eind vijftiger jaren) een flink bedrag geweest zijn. 
Tijdens schoolvakanties logeerde ik vaak bij oom Arend en tante Annigje op de boerderij. Ik sliep dan in de bedstee in een slaapkamertje grenzend aan de “mooie kamer” waar oma lag. Nadat ik ‘s ochtends uit bed kwam moest ik door oma’s kamer om in de woonkeuken te komen. Op een keer lukte het me niet de deur open te krijgen. Het was een deur met zo’n ouderwetse houten draaikruk. Ik kon de kruk wel ronddraaien, maar hij pakte het slot niet mee. 
Oma werd wakker en hoorde dat ik opgesloten zat. Ze riep naar tante Annigje dat ik de deur niet open kon krijgen. Maar ze kon niet zo snel op mijn naam komen. Ze riep daarom zoiets als: ‘Annegien …uh … Albert … Egbert … Roelof … Gerard … ach … Kasper kan de deure niet los krieg’n!’ Die andere namen … dat waren mijn neven.
Op een dag hadden mijn oom en tante een TV gekocht voor oma. Dan had ze wat afleiding. Maar veel heeft ze niet gekeken. Ze had het niet zo op die ‘vrömde kerels in hoar huus’. En als ze werd gewassen dan mocht de TV zeker niet aanstaan: ‘doar hef een ander niks mee te maak’n …’ 
Ik was dertien toen oma is gestorven. Ze is 85 jaar geworden. Ik ben niet mee geweest naar haar begrafenis. Daar is thuis ook geen moment over gesproken. Achteraf eigenlijk heel vreemd. Ik mocht geen afscheid nemen van de enige grootouder die ik echt had gekend. Mijn lievelingsoma!
Een paar maanden geleden hebben we, toen we tijdens een wandeling door Ruinerwold kwamen, haar graf nog eens opgezocht:
Roelofje Nijland, geboren 18-8-1875, overleden 9-3-1961